|
In het Belgisch Staatsblad van 30 juni 1999 verscheen de wet van 3 mei 1999 betreffende
het vervoer van zaken over de weg.
Naast een nieuwe regeling terzake de toegang tot het beroep van vervoerder, voorziet
deze wet in art. 38 dat voortaan ook de nationale vervoersovereenkomsten onderworpen
worden aan de bepalingen van het CMR-Verdrag.
De artikelen 1 tot 7 en 9 van de wet van 25 augustus 1891 (de nationale vervoerswet)
zijn niet langer toepasselijk op het nationaal vervoer van zaken over de weg.
Graag lichten wij voor u een aantal gevolgen van deze wetgeving toe:
- de verjaring: voorheen gold dat ingevolge art. 9 van de wet van 1891, de vorderingen
terzake van nationale vervoersovereenkomsten verjaarden na verloop van zes maanden. De
bijzondere schorsingsgrond voorzien in art. 32 CMR (de schriftelijke vordering) was niet
van toepassing inzake nationaal vervoer. Thans geldt dus ook voor nationaal transport de
verjaringstermijn van één jaar, met mogelijkheid deze termijn te schorsen door een
schriftelijke vordering;
- het voorbehoud bij inontvangstname: onder de wet van 1891 gold dat bij laattijdig
schriftelijk voorbehoud (voor zichtbare schade was dit binnen de twee dagen na
inontvangstname, voor onzichtbare schade binnen de zeven dagen) de goederenbelanghebbende
vervallen werd verklaard van zijn vordering; onder het CMR-verdrag geldt deze
vervallenverklaring niet en kan ook bij niet tijdig protest een vordering worden ingesteld
(zij het dat de bewijslast integraal bij de goederenbelanghebbende komt te liggen);
- de bewijsregeling: voortaan wordt het de nationale vervoerder gemakkelijker gemaakt
zich te ontheffen van zijn aansprakelijkheid, door eveeens beroep te doen op de algemene
en bijzondere ontheffingsgronden voorzien in art. 17 en 18 CMR. Onder de nationale
vervoerswet kon de vervoerder enkel aan zijn aansprakelijkheid door overmacht te bewijzen;
- de beperking van aansprakelijkheid: de nationale vervoerswet voorzag niet in een
beperking van aansprakelijkheid; thans geldt dat de vervoerder steeds zijn
aansprakelijkheid kan beperken conform de bepalingen van het CMR-verdrag.
Nieuw voor de rechtspraktijk is ook dat in art. 38, § 4 voorzien wordt dat de
regresvorderingen ontstaan uit de overeenkomst tot vervoer van goederen over de weg op
straffe van verval binnen de maand te rekenen vanaf de dagvaarding die aanleiding geeft
tot het regres, dient ingesteld te worden. Deze bepaling - die voorheen reeds gold voor
het nationaal vervoer - wordt thans dus uitgebreid tot het internationaal vervoer !
De hoofdvervoerder die zijn ondervervoerder in de zaak wenst te betrekken om zich te laten
vrijwaren, dient bijgevolg snel te handelen.
Wenst u meer informatie over de gevolgen van deze nieuwe wetgeving in de
praktijk ? Wordt u geconfronteerd met een probleem van aansprakelijkheid van de
wegvervoerder ? Aarzel dan niet om ons te contacteren.
 |
De Clerck &
Coppens
Advocatenkantoor
Hoogstraat 28 - 8000 Brugge
T. 050/444.030 - F 050/341.026
|
|